De jeugd van…Arthur Japin

‘Ik overleefde door te fantaseren’

Arthur Japin werd op school getreiterd. Thuis mishandelde zijn vader zijn moeder. Jeugdzorg bleef op een afstand. “Als we de kinderbescherming erbij zouden halen, zou hij ons vermoorden.”

Japin was een verlegen, zachtaardig jongetje, een gewild slachtoffer van pestkoppen. Vanaf de eerste klas van de lagere school tot op de middelbare school werd hij gestompt en geslagen. Er werden sigaretten in zijn gezicht uitgedrukt. Hij werd vernederd en beschimpt. Lange tijd meende hij dat hij afzichtelijk was. “Ik dacht: er moet iets aan mij te zien zijn. Dat werd me ook verteld.” Sommige scheldwoorden moest hij elke dag herhalen. Hij wil niet zeggen wat precies. De hoofdpersoon van zijn eerste roman De zwarte met het witte hart laat hij hetzelfde meemaken.

Arthur vocht nooit terug. “Laatst was ik bij Villa Felderhof in Afrika. Iemand van de crew zei daarover: ‘Ik heb nog nooit een man gezien die zo onbewapend is.’ Daar ben ik best trots op.” Destijds maakte het hem weerloos. “Maar het is geen verdienste. Ik had geen wapens.”

Japins problemen werden niet opgemerkt. Rondom de schoolspeelplaats stond een hek met kippengaas. Op een gegeven moment was hij zo bang om naar school te gaan dat hij met zijn vuisten om het gaas gebald bleef staan.  “De amanuensis moest mijn vingers een voor een loswrikken. Niemand vroeg zich af waarom ik dit deed.”

Arthur zelf vertelde niets. “Juist thuis niet. Je ouders zijn de laatste die in je geloven. Je wilt niet dat ze weten hoe er over je gedacht wordt. Wel huilde ik elke avond. Als mijn moeder vroeg waarom zei ik “’Om Kelly”’, mijn hondje dat jaren daarvoor was overleden. Mijn moeder had dat niet door. Of … misschien was ze blij dat ze een reden had om niet verder te hoeven vragen.”

Thuis was het evenmin veilig. Zijn vader, schrijver van thrillers en toneelrecensent, had psychiatrische problemen en was gewelddadig. Hij dronk en sloeg Arthurs moeder. “Ik sliep vaak bij haar, in een kamer achter een deur die je met allerlei schuifjes dicht kon doen. Als hij dan ‘s avonds thuis kwam, vaak dronken, en probeerde de deur in te rammen, dan waren we in ieder geval samen.” Zijn moeder werd dan beschimpt, geslagen en met haar hoofd tegen de muur gebeukt. “Ze hield er een scheur in haar schedel aan over.” Soms probeerde Arthur in te grijpen. Hem wilde zijn vader fysiek geen pijn doen. “Hij heeft me nooit geslagen.” Arthur ging dan bijvoorbeeld met blote voeten in een kapot glas staan. ”Dan schrok hij en kreeg spijt.”

Wat zijn vader precies mankeerde weet Japin nog steeds niet. “Op een gegeven moment brachten we hem voor een interne behandeling naar een psychiatrische kliniek. Hij moest op de derde verdieping zijn, een verdieping met tralies. Toen begreep ik pas wat voor een patiënt hij eigenlijk was.” De opname was een kantelpunt. Thuis keerde de rust weer. Tijdelijk.

Tot voor kort meende Japin dat het treiteren op school ‘het ergste’ was. “Een paar maanden geleden kwam ik toevallig een verslag dat mijn moeder voor de psychiater van mijn vader moest maken. Daarin staat dat hij mij toch ook uitschold en bedreigde. Dat was ik totaal vergeten. Ze had mijn oma verteld dat ze misschien de kinderbescherming in wilde schakelen. ‘Dan vermoordt hij jullie,’ zei mijn oma. Nu denk ik: Misschien was het niet onmogelijk dat wij waren geëindigd als zo’n gezin uit een krantenbericht.”

Weggaan was geen optie. “Mijn moeder had geen inkomen, geen geld.” Bovendien overheerste de angst en de schaamte. “Soms laaiden de ruzies zo op, dat buren of passanten op straat de politie belden. Die kwam, maar greep niet in. Misschien omdat mijn moeder meteen zei: ‘Nee hoor. Niets aan de hand.” Wellicht hadden Arthur en zijn moeder steun kunnen krijgen van de psychiaters waar zijn vader naartoe ging. Maar daar had Japin geen enkel vertrouwen in. “Elke nieuwe psychiater maakte de situatie thuis erger. Hij zag ze als medestanders, wij alsof ze aan zijn kant stonden.”

Toen Arthur net dertien was, pleegde zijn vader zelfmoord. Een langdurig en onhandig proces met pillen, drank en het doorsnijden van zijn polsen, dat hij in een afscheidbrief beschreven heeft. Arthur ging naar het gymnasium: een wereld waarin hij zich kon terugtrekken en opbloeien. Hij bleef anders, maar dat was nu soms een voordeel. En voor wie hem niet begreep, was daar altijd zijn vaders zelfmoord als verklaring.

Hoe verdrietig en akelig, hij had zijn jeugd niet willen missen. “Het is een krakkemikkig fundament, maar daar bovenop heb ik mijn huis gebouwd en dat staat goed.” Niet dat het verdriet is verdwenen. “Eens in de zoveel tijd gaat de deur naar de kelder open.” Dan belandt hij in een ‘soort depressie’. “Het heeft geen naam, geen beeld, geen zichtbare aanleiding. Het is er gewoon. Een groot verdriet om niets. Om Kelly, zeg maar. Na een tijd verdwijnt het weer.” Maar nooit helemaal. “Dat wil ik ook niet. Die kern is onderdeel van dat bouwwerk. Als je die weghaalt gaat het huis wrikken.”

In zijn jeugd hield zijn verbeeldingskracht hem op de been. Hij ging vaak naar toneel en speelde de scènes na op zolder. Alleen. Zo kon hij de werkelijkheid ombuigen naar iets wat te hanteren was. ‘Ik overleefde door te fantaseren’. Het is ook de reden dat hij is gaan schrijven. “Als ik gewoon had leren communiceren had ik nooit gezocht naar alternatieven om me kenbaar te maken. Het is een schitterend gebrek.”

Maar een boek over zijn eigen jeugd, dat zit er niet in, zegt hij resoluut.  Zijn verhaal is niet anders dan honderdduizend andere verhalen. “Mijn hoofdpersonen zijn stuk voor stuk mensen als ik. Het interesseert me hoe zij overleefden onder zware omstandigheden. In ieder van hen zit uiteindelijk veel van mezelf.” Zijn eerste roman De zwarte met het witte hart, gaat over Kwame en Kwasi, twee Afrikaanse prinsjes die in de negentiende eeuw naar Nederland komen. De een past zich aan, de ander niet. “Ik had het boek al geschreven, toen ik besefte dat ik zelf Kwasi en Kwame was. In mijn jeugd stond ik elke dag voor de keuze om het in de klas op mijn eigen manier te doen, of om me stil te houden, de dingen te doen zoals anderen dat wilden.”

<kader>

Arthur Japin (Haarlem, 26 juli 1956) schreef toneelstukken en romans, waaronder De zwarte met het witte hart en De droom van de leeuw. Voor zijn roman Een schitterend gebrek kreeg hij in 2004 de Libris Literatuur Prijs. Sinds  2008 presenteert Japin een Nederlandse versie van het Britse tv-programma QI. Op dit moment ligt er een nieuw boek in de schappen: Vaslav, over de Russische balletdanser Vaslav Nijinski. Japin leeft samen met zijn twee mannelijke partners.

 September 2010 Jeugd en Co


Tags:

Gerelateerd

Een ragfijn spel

Ali B. had baat bij Boddaertcentrum

Moslimouders komen van ver

Een groep apart. Jongerenwerk en etniciteit.

De jeugd van… Peter Faber

Jeugdzorg in de school is niet vanzelfsprekend

Het zwarte gat na 18

Kwestie van vraag en aanbod